Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB1144

Datum uitspraak2001-01-23
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/858
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / staandehouding / concrete aanwijzingen. De politie heeft bij een onenigheid op straat tussen de vreemdelinge en een man bemiddelend opgetreden. De politie heeft de vreemdelinge naar haar personalia gevraagd en vastgesteld dat zij geen legitimatiebewijs bezat. Vervolgens is zij staandegehouden ex artikel 19, eerste lid, Vw. De rechtbank is van oordeel dat voorafgaande aan de staandehouding geen sprake was van rechtmatig verkregen concrete aanwijzingen van illegaal verblijf. Daarbij is overwogen dat Wet op de identificatieplicht beoogt in een beperkt aantal gevallen een identificatieplicht te scheppen, opgenomen in wetten in formele zin. In casu is geen wet in formele zin aan te wijzen waaraan de verbalisanten de bevoegdheid konden ontlenen om de vreemdelinge op haar identiteit te controleren. Beroep gegrond, toewijzing verzoek om schadevergoeding.


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te 's-Hertogenbosch Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken --------------------------------------------- Uitspraak --------------------------------------------- AWB 01/858 V3 Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 34a juncto 34j van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen A, volgens haar verklaring geboren op [...] 1971 en van Nigeriaanse nationaliteit, thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein, hierna te noemen: de vreemdelinge en de Staatssecretaris van Justitie, hierna te noemen: verweerder. Zitting: 22 januari 2001. De vreemdelinge is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. W.J. van Blaricum. Als tolk in de Engelse taal is aanwezig M. Koeman. I. PROCESVERLOOP Bij bevel tot bewaring van 7 januari 2001 is de vreemdelinge op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld, terwijl op diezelfde datum haar uitzetting is gelast. Op 10 januari 2001 heeft de vreemdelinge een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. In verband hiermee is de vreemdelinge op 10 januari 2001 in bewaring gesteld op de in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Vw bedoelde gronden. Bij beroepschrift van 9 januari 2001, ontvangen ter griffie op 10 januari 2001, is namens de vreemdelinge verzocht de bewaring met onmiddellijke ingang op te heffen. Voorts is om schadevergoeding verzocht. II. OVERWEGINGEN Namens de vreemdelinge is onder meer aangevoerd dat de inbewaringstelling onrechtmatig is geschied daar er geen sprake was van concrete aanwijzingen van illegaal verblijf op het moment dat de vreemdelinge om bescherming van de politie verzocht. Er bestond op dat moment geen aanleiding voor de politie om te informeren naar de identiteit van de vreemdelinge. Pas nadat de politie de vreemdelinge naar haar identiteitspapieren had gevraagd, ontstonden er concrete aanwijzingen van illegaal verblijf. De gemachtigde van verweerder heeft aangevoerd dat de politie in het kader van haar hulpverlenende taak bevoegd is de vreemdeling om identificatie te vragen en de verkregen gegevens te controleren, zodat de staandehouding en de daarop volgende bewaring rechtmatig zijn. De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens het proces verbaal van staandehouding en overbrenging ex artikel 19, eerste lid, van de Vw is de politie bemiddelend opgetreden bij een onenigheid op straat tussen een man en de vreemdelinge. De politie heeft de vreemdelinge gevraagd naar haar personalia en vastgesteld dat zij niet in het bezit was van enig legitimatiebewijs. Op verzoek van de betrokken politieagenten heeft de wachtcommandant de door de vreemdelinge verstrekte gegevens gecontroleerd in alle aan de politie beschikbare geautomatiseerde opsporingssystemen. Uit deze controle bleek dat de vreemdelinge niet voorkwam in het Vreemdelingen Administratie Systeem. Daarop is zij staandegehouden en overgebracht naar het politiebureau. De rechtbank overweegt allereerst dat de Wet op de identificatieplicht (WID) beoogt in een beperkt aantal gevallen een identificatieplicht te scheppen, opgenomen in een aantal wetten in formele zin. Aangenomen moet worden dat de WID een exclusief stelsel bevat. In casu is geen wet in formele zin aan te wijzen waaraan de verbalisanten de bevoegdheid konden ontlenen om de vreemdelinge op haar identiteit te controleren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking, dat uit het proces-verbaal van staandehouding niet blijkt dat de vreemdelinge verdacht werd van een strafbaar feit, zodat aan de artikelen 52 en 61a van het Wetboek van Strafvordering evenmin bevoegdheden ter identificatie van de vreemdelinge konden worden ontleend. Derhalve moet worden geconcludeerd dat er voorafgaand aan de staandehouding ex artikel 19 van de Vw geen sprake was van rechtmatig verkregen concrete aanwijzingen voor illegaal verblijf. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de staandehouding is geschied in strijd met het bepaalde in artikel 19, eerste lid van de Vw. Onder deze omstandigheden kan de op de staandehouding gevolgde ophouding en inbewaringstelling van de vreemdelinge evenmin rechtmatig worden geacht. De bewaring dient derhalve - onder gegrond verklaring van het beroep - te worden opgeheven. Hetgeen de raadsman van de vreemdelinge overigens tegen de inbewaringstelling heeft aangevoerd, hoeft geen bespreking, nu het vorenoverwogene reeds tot opheffing van de bewaring leidt. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding oordeelt de rechtbank als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 34j van de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht termen aanwezig voor toekenning van de gevorderde schadevergoeding met ingang van de datum van de inbewaringstelling, te weten 7 januari 2001. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding. Conform de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, kent de rechtbank aan de vreemdelinge een schadevergoeding toe van f 200,-- voor de dagen dat de vreemdelinge op het politiebureau in bewaring heeft gezeten en van f 150,-- voor iedere dag die zij in het Huis van Bewaring heeft doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding 8 x f 200,-- en 8 x f 150,-- is f 2800,--. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb, te veroordelen in de door de vreemdelinge gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift; 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,--, wegingsfactor 1. Aangezien ten behoeve van de vreemdelinge een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank. Mitsdien wordt als volgt beslist. III. BESLISSING De rechtbank, verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond; beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 26 van de Vw van de vreemdelinge met ingang van 23 januari 2001; wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van f 2800,-- ; veroordeelt verweerder in de zijdens de vreemdelinge gemaakte proceskosten, vastgesteld op f 1420,-- (te vergoeden door de Staat der Nederlanden), te voldoen aan de griffier. Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.C. Meulemans als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2001. Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van f 2800,--. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. Verweerder kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdelinge binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (zittingplaats: 's-Hertogenbosch). Afschriften verzonden: 5 februari 2001